Archeologisch onderzoek – veel gestelde vragen

Sinds 2007 is het wettelijk verplicht om bij bodemingrepen, zoals bij het bouwen van een woning of de aanleg van een weg, rekening te houden met archeologische waarden. Archeologische waarden bevinden zich grotendeels in de bodem, vaak ondiep en zijn dus gevoelig voor bodemingrepen.

Werd de verplichting om rekening te houden met het behoud van archeologische waarden eerst geregeld via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg, wordt dit nu geregeld via het overgangsrecht van de Erfgoedwet en vanaf 2021 via de nieuwe Omgevingswet.

Aan de basis van de wettelijke verplichting om rekening te houden met archeologie, ligt een Europees verdrag, dat in 1992 is ondertekend, namelijk het Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, ook wel het Verdrag van Malta of het Verdrag van Valletta genoemd, naar het eiland en de hoofdstad van dit eiland, waar het verdrag is ondertekend.

De uitvoering van de wet- en regelgeving met betrekking tot het archeologisch erfgoed ligt grotendeels op gemeentelijk niveau, omdat de gemeenten ook grotendeels het ruimtelijk beleid bepalen. Daarom dat u als u een omgevingsvergunning aanvraagt of een bestemmingsplanwijziging laat doorvoeren met een archeologisch onderzoek te maken kan krijgen. Of en in welke mate u met archeologie te maken krijgt hangt af van de archeologische verwachting of vastgestelde archeologische waarde van uw plangebied.

”Wanneer is archeologisch onderzoek verplicht?”

U bent verplicht om archeologisch onderzoek uit te laten voeren wanneer u de bodem gaat roeren (bijv. ontgraven) en uw plangebied of planlocatie een dubbelbestemming Waarde – Archeologie heeft of het een wettelijk beschermd archeologisch monument betreft. In het eerste geval is het bevoegd gezag de gemeente, in het tweede geval het rijk (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)). In het geval het een wettelijk beschermd monument betreft, kan het RCE ook bepalen dat u geen bodemingrepen mag uitvoeren of alleen onder bepaalde voorwaarden.

De bodemingrepen die aanleiding kunnen zijn staan vaak in het bestemmingsplan benoemd en kunnen onder andere ontgravingen of ontgrondingen, ophogingen en het slaan van heipalen omvatten.

Heeft uw plangebied of planlocatie een dubbelbestemming Waarde – Archeologie, dan hangen daar vaak ondergrenzen aan vast. Dat wil zeggen dat als u met uw bodemingreep of plan onder een bepaalde oppervlakte en/of diepte blijft, u geen archeologisch onderzoek hoeft te doen, maar als u deze overschrijdt wel onderzoek moet laten uitvoeren.

”Waarom moet ik voor archeologisch onderzoek betalen?”

De archeologiewetgeving gaat van twee belangrijke principes uit, namelijk van:
1) het ”behoud in situ” principe;
2) het ”veroorzaker betaalt” principe.

Het ”behoud in situ principe” houdt in dat de beste manier om archeologische waarden te behouden voor toekomstige generaties (wetenschappelijk onderzoek en cultuurbeleving), deze ongeroerd in de bodem te laten liggen en de bodemcondities niet te veranderen (bijvoorbeeld het grondwaterpeil niet veranderen en geen grond op te brengen wat tot samendrukking van bodemlagen kan leiden). Met andere woorden: archeologische waarden met rust laten door deze in te passen.

Het ”veroorzaker betaalt” principe houdt vervolgens in dat als u dit bodemarchief dan toch voor eigen profijt gaat verstoren, u moet opdraaien voor de kosten van het archeologisch onderzoek, inclusief uitwerking en rapportage van het onderzoek; uiteraard altijd binnen de kaders van proportionaliteit.

”Op basis waarvan bepalen gemeenten dat er een kans is op archeologie en dat ik dus (voor-)onderzoek moet laten uitvoeren?”

De meeste gemeenten hebben de bekende en te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeente laten inventariseren op archeologische waardenkaarten en archeologische verwachtingenkaarten. Archeologische verwachtingen worden grotendeels bepaald aan de hand van de bodemopbouw, geomorfologie (bodemreliëf) en bestaande kennis over het gebruik van het landschap door de mens in het verleden. Op verwachtingenkaarten wordt vaak onderscheid gemaakt in lage, middelhoge en hoge verwachtingszones. Ook bekende archeologische waarden zijn vaak geclassificeerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de AMK-terreinen (AMK = Archeologische MonumentenKaart).

De archeologische waardenkaart en de archeologische verwachtingenkaart zijn binnen de meest gemeenten door vertaald in archeologische beleidskaarten, die dan de onderleggers vormen voor bestemminsplannen. Bij de doorvertaling naar beleidskaarten wordt ook informatie betrokken over – verwachte – diepteligging van – te verwachten – archeologische waarden in de ondergrond, zodat ondergrenzen voor archeologisch onderzoek kunnen worden bepaald.

”Wat is het beste moment?”

U kunt het beste zo vroeg mogelijk in het proces archeologisch onderzoek laten uitvoeren. Wij adviseren u om niet tot het laatste moment te wachten met het onderzoek, omdat als blijkt dat binnen uw plangebied belangrijke archeologische waarden in de bodem liggen, u deze wellicht kunt ontzien, wellicht nog mogelijkheden heeft om funderingstechnieken aan te passen, dan wel de tijd heeft om ze veilig te laten stellen middels een archeologische opgraving. Archeologisch onderzoek kent ook verschillende stappen en beslissingsmomenten, die tijd kosten. Hoe later in het proces, hoe minder flexibiliteit en hoe groter de kans op vertraging.

”Hoeveel kost het onderzoek?”

Kort gezegd zijn de kosten sterk situatieafhankelijk. Belangrijke factoren die een rol spelen zijn bijvoorbeeld de omvang van de bodemingreep dan wel het plangebied, de verwachte diepteligging van archeologische waarden, de aard en omvang van archeologische waarden, of behoudenswaardige archeologische resten geheel of gedeeltelijk ontzien kunnen worden, dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk moeten worden veiliggesteld door middel van een archeologische opgraving. De kosten zijn dus niet voor ieder plan of plangebied hetzelfde en bij voorbaat te benoemen. Voor wat betreft het kostenverhaal geldt wel dat de kosten voor archeologisch onderzoek en behoudsmaatregelen in verhouding moeten staan tot de totale projectkosten.

”Hoe zijn de kosten opgebouwd?”

De kosten van het onderzoek worden bepaald door:
• Voorbereidingskosten;
• Veldwerkkosten;
• Uitwerkings- en rapportagekosten.

Het is wettelijk verplicht om het onderzoek volgens vaste protocollen uit te voeren. Deze protocollen zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Archeologische bureaus dienen hiertoe BRL 4000 gecertificeerd te zijn.

Daarnaast is er de wettelijke verplichting om de start, het einde en de – voorlopige – resultaten van het onderzoek te melden in het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Ook dient gravend onderzoek, zoals proefsleuvenonderzoek, opgravingen en archeologische begeleidingen (Opgraven – variant archeologische begeleiding), te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE).

Als onderdeel van de voorbereiding dient ook een Plan van Aanpak (PvA) te worden opgesteld, dat als praktische handleiding en veiligheidsplan voor het veldwerk fungeert.

Het veldwerk zelf behelst vaak de inzet van een archeologisch team van minimaal twee archeologen, met veldapparatuur. Daarnaast gebeurt het aanleggen van archeologische proefsleuven en werkputten in de regel machinaal met een graafmachine.

Na het veldwerk moeten vondsten worden verwerkt, worden de veldtekeningen in GIS opgemaakt, worden grondsporen geanalyseerd en worden de bevindingen gerapporteerd.

Is er veel gevonden en zijn er grondmonsters genomen, moet er meestal eerst een tussenrapport worden opgesteld: een evaluatierapport. Het evaluatierapport omvat een overzicht van vondsten, grondmonsters en sporen. Op basis hiervan wordt bepaald wat voor specialistisch onderzoek in aanmerking komt. Specialisten voeren dit vervolgens uit. Hun bevindingen en deelrapporten worden vervolgens in het eindrapport (standaardrapport) opgenomen.

Het archeologisch onderzoeksproces wordt vervolgens afgerond door de resultaten in Archis in te voeren, vondsten te deponeren in hiertoe aangewezen archeologische depots en het eindrapport en onderliggende primaire databestanden te uploaden in het Edepot (Dans Easy).

Dit alles dus volgens vaste en wettelijk verplichte protocollen.

”Welk onderzoek moet ik laten uitvoeren?”

Welk onderzoek u moet laten uitvoeren staat vaak in een brief van de gemeente of de omgevingsdienst. Het onderzoek begint in de meeste gevallen met een archeologisch bureauonderzoek, al dan niet gecombineerd met controleboringen (verkennend en/of karterend booronderzoek).

In het geval van kleine bodemingrepen, zoals bijvoorbeeld een bouwput voor een nieuwe woning, kan meestal worden volstaan met vijf tot zes boringen. Deze worden doorgaans handmatig gezet.

Met het archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek wordt de archeologische verwachting van het plangebied zoals die op de verwachtingenkaart van de gemeente staat, getoetst en aangevuld met lokale informatie.

Wanneer uit het bureauonderzoek en booronderzoek een hoge archeologische verwachting blijkt, dan wel blijkt dat in de bodem sprake is van archeologische resten (op dit niveau wordt vaak nog gesproken over archeologische indicatoren), kan een aanvullend onderzoek worden verlangd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Vaak kan op basis van booronderzoek namelijk de waarde van een archeologische vindplaats niet goed worden bepaald. Er is dan wel vastgesteld dat er sprake is van een archeologische vindplaats, maar de aard, omvang, datering, mate van intactheid en conserveringsgraad kunnen nog niet worden bepaald. Met proefsleuven kan deze informatie wel worden verkregen en kan een goede waardestelling van de vindplaats worden opgemaakt. Deze waardestelling dient vervolgens als input voor een besluit hoe om te gaan met een vindplaats als deze op basis van de waardestelling behoudenswaardig is. Dit besluit wordt ook wel een selectiebesluit genoemd.

Het booronderzoek en het eventueel hierop volgend proefsleuvenonderzoek vallen in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) onder het Inventariserend Veldonderzoek (IVO) genoemd. Het booronderzoek valt onder IVO-Overig (IVO-O) en het proefsleuvenonderzoek onder IVO-Proefsleuven (IVO-P).

Wanneer een vindplaats behoudenswaardig blijkt te zijn, zijn er twee mogelijkheden. Of de vindplaats wordt ontzien en blijft dus onaangetast in de bodem bewaard, of de vindplaats moet worden veiliggesteld door middel van een professionele archeologische opgraving.

”Wie mag het onderzoek uitvoeren?”

Archeologisch onderzoek mag niet door iedereen worden uitgevoerd. Het graven naar archeologische waarden is bij wet verboden. Alleen gecertificeerde archeologische partijen mogen archeologisch onderzoek uitvoeren. Zij moeten het BRL 4000 certificaat hebben en werken conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Gecertificeerde archeologische bureaus worden regelmatig geaudit. Ook worden zij gecontroleerd door de Erfgoedinspectie. Daarnaast dienen archeologen die werkzaamheden verrichten binnen de wettelijk verplichte KNA-protocollen in het Actorregister te staan. De KNA-protocollen worden beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodembeheer (SIKB); een netwerkorganisatie waarbinnen overheid en bedrijfsleven samen praktijkgerichte kwaliteitsrichtlijnen maken voor bodem, water, archeologie, bodembescherming en datastandaarden.

Meer informatie? Neem vrijblijvend contact op

Heeft u na het lezen van bovenstaand artikel nog vragen of heeft u behoefte aan aanvullende informatie? Neem gerust contact met ons op via informatie@transect.nl of telefonisch via 030 762 0705, wij staan u graag te woord.